Afscheid
West Afrika is een gebied van verhalen. Eindeloze verhalen waarin tijd geen rol speelt, en waar altijd ruimte is voor meer. Meer mensen, meer gebeurtenissen, meer verhalen. Wie niet in een verhaal zit bestaat niet. Er is ons dan ook veel aan gelegen, zo snel mogelijk een positie te verwerven in de plaatselijke orale traditie. Want reizen is leuk, maar als je niet bestaat is het toch wat minder.

Vaak is een verwijzing naar wat willekeurige personen voldoende - Baba uit Denton, de kok die zijn fortuin in Djandjangbure ging zoeken, de Fransman die met een Afrikaans meisje hokt. Of dat bekenden zijn of niet, of ze werkelijk bestaan of alleen aan de fantasie ontsproten doet helemaal niet ter zake. Het gaat erom dat ze zouden kunnen bestaan, en ze zo snel mogelijk een plaats te geven in de verhalen die wij delen met onze gastheren. Het is een hele rekenarij dat allemaal voor elkaar te krijgen; uitvoerige bespiegelingen over de gevaren van de grote stad, de juiste methode voor het bereiden van een chicken yasar, de prijs van een taxirit, de taakverdeling tussen man en vrouw en de moeite die het kost vandaag de dag nog een visje te verschalken op de rivier. Daar trek je zonder moeite een middag voor uit, rustig onder de apebroodboom, en dan ben je nog pas net begonnen. Veel maakt het niet uit want morgen is net zo goed als gisteren, en het gaat er maar om dat een verhaal in de lucht blijft. Wanneer wij al weer zijn afgereisd krijgen wij zelf ook een positie in die verhalen - een man met twee paar ogen, een jongen die zo hard kon lopen als een wild zwijn, en hoe we ondanks onze bril van het dammen helemaal niets terecht brachten. Ook het waarheidsgehalte daarvan is niet echt belangrijk - wij komen voor in een verhaal, en daarom bestaan we.
Zo leven we hopelijk nog een beetje voort aan de oevers van de Gambia, de Djomboss en de Bandiala, lang nadat we terug zijn in Nederland. Want dat zijn we, en dat is de Behemoth inmiddels ook.
Ja, het is heel erg. Ons verhaal is uit, over, afgelopen. We wonen weer aan de wal, we lopen weer in het gareel, en dat is een gemengd genoegen. Eerder gemengd dan een genoegen, om het maar eerlijk te zeggen.
En onze mooie, lieve Behemoth staat te koop. Eenzaam op een werf, een beetje allenig tussen de gepolitoerde prullaria. Hij trekt weinig kijkers en vooralsnog helemaal geen kopers; je ziet meteen dat hij jaren over de oceaan heeft gezworven, dat hij stormen, olievelden en aanvaringen heeft getrotseerd en daar gelouterd uit is gekomen. Gelouterd en sterker.
Dat schrikt af - mensen willen hun droom van een probleemloos zeilersleven niet laten bederven door een kijkje in de realiteit. We begrijpen eindelijk waarom je op een nieuwe boot nooit een vuilnisbak ziet staan. Zo heeft Paultje Visser het ons uitgelegd, en hij heeft natuurlijk gelijk.
Het ga je goed lieve boot; en het spijt ons dat we wel eens op je gescholden hebben. Omdat je een beetje lekte, of wat minder fris geurde in je machinekamer. Wat maakt het achteraf nog uit - wij zijn eigenlijk niet meer geweest dan passanten in je zeilersleven. En je hebt voor ons gezorgd, zoals je ook zonder morren voor je nieuwe baas zal zorgen. Goedmoedig, recht door zee, nergens te beroerd voor.
Een echte Behemoth.