|
|
Het Kleine Groene
Draakje
Ork en Knork keken elkaar aan, zonder
iets te zeggen. Het regende nu al drie maanden, en het hutje van twijgen
en bladeren was volkomen doorweekt.
Ork hoestte en tuurde in de verte. Daar was behalve regen niets te zien,
maar het was weer eens iets anders dan het verschrompelde hoofd van zijn
broer.
Knork kneep langzaam zijn ogen dicht, en ook dat leek het beste dat hem
te doen stond.
De dag liep ten einde; het werd kouder en de wind nam toe. De regen veranderde
langzaam in natte sneeuw en in de verte bracht alleen een spaarzame bliksemflits
wat kleur op de grauwe hemel.
'Nu klaar,' sprak Ork, die een man was van weinig woorden.
'Grmm,' was het antwoord, want ook zijn broer hield het graag kort.
Met een paar welgemikte trappen maakte Ork een einde aan het schamele
onderkomen. Uit de restanten zocht hij een stevige tak, en hiermee gewapend
zette hij zonder omkijken koers in de richting van het beginnende onweer.
Knork bleef nog even zitten, maar spoedig begon ook hij zich een weg te
banen in de zelfde richting. Gebogen liepen de twee donkere gestalten
achter elkaar aan, hun ritmische pas soppend in de zware klei. Achter
hen namen de golven bezit van de laatste resten bewoning.
Op een zandig heuveltje koesterde een jong draakje zich behaaglijk in
de ochtendzon. Hij was zo groen als alleen een jong draakje kan zijn,
en hij was voor van alles te vinden. Voor alles, behalve voor de lessen
van meester Drakenquel. En dat was jammer, want hij kon de oude tiran
op precies dat moment de school zien binnenlopen. Het was nog maar een
kwestie van een paar ogenblikken voor de schoolbel zou luiden, en dat
betekende het einde van een welverdiend dagje lanterfanten.
Het kleine groene draakje zuchtte; het was voortaan afgelopen met het
gezellige gekeutel in de klas van juffrouw Drakentutje. Ook kleine draakjes
worden groter, en nu hij inmiddels vier tenen aan iedere poot bezat was
de tijd gekomen voor het echte werk. Voor de lessen van Meester Drakenquel.
Zuchtend liet hij een vlam, sloeg zijn poten naar buiten en gleed op de
verweerde boomstam af die al sinds drakenheugenis de schoolpoort vormde.
Tegen het staartje van de nacht begon de lucht te klaren; de sneeuw werd
regen, de regen werd mist. Bij het aanbreken van de dag zagen Ork en Knork
voor het eerst in maanden een zon aan de einder.
Ook het landschap was veranderd; de klei had plaatsgemaakt voor zand en
zavel, en in de verte wees een donkere vlek op een vorm van beschutting.
De twee broers versnelden hun pas; hun soppige tred maakte plaats voor
een sukkeldrafje. Voor de dauw van de bladeren was verdampt hadden ze
het bos bereikt.
Hier toe,' vond Ork tegen niemand in het
bijzonder. Zijn broer keek aandachtig naar een paar verdorde varens, fluimde
op de grond en liet een sissend geluid uit zijn neusgaten ontsnappen.
Meer conversatie viel niet te beluisteren, en zonder elkaar aan te zien
liepen de beide reizigers in de richting van een droge sloot. Enige ogenblikken
later waren ze onder een dik pak bladeren en rottend hout verdwenen.
Meester Drakenquel stond waar hij altijd stond wanneer een nieuwe lichting
jonge draakjes voor het eerst de school binnenkwam. Half verscholen onder
de zware wenteltrap was hij nagenoeg onzichtbaar, en zijn zwarte mantel
deed de rest. Hij verheugde zich buitengewoon over de dingen die nu zouden
komen. De eerste dagen kon hij nog wat protesten verwachten, maar al snel
zouden de luidruchtige jonge draken elkaar desnoods vertrappen om het
hem naar de zin te maken. Ze zouden sidderen bij zijn aanwezigheid; zelfs
wanneer hij er niet was zou alleen al de gedachte aan zijn bestaan voldoende
zijn voor een beklemmende angst. Meester Drakenquel kneep zijn gele ogen
tot spleetjes en lachte onhoorbaar. Hij hield van zijn beroep.
Zijn oog viel op een klein groen draakje dat als laatste de school binnengleed.
Het draakje keek argwanend en ook een beetje bang; precies waar de oude
schoolfrik op zat te wachten. Onwillekeurig klemde de hand van meester
Drakenquel zich steviger om de zware aanwijsstok; hij wachtte doodstil
tot het draakje zich pal voor hem bevond.
Aan het einde van de morgen bewoog de bladerhoop waaronder Ork en Knork
zich eerder die dag hadden verscholen. Als eerste kwam Knork te voorschijn;
hij zoog tevreden de lucht van rottende bladeren naar binnen. Even later
werd ook Ork zichtbaar; zijn harige hand omklemde een zwarte wortelstronk,
en even later wees een krakend geluid op het begin van een middagmaal.
Knork at niets en zei niets; hij keek aandachtig naar zijn knagende broer.
Pas na geruime tijd, toen niets erop wees dat Ork hinderlijke gevolgen
aan de maaltijd zou overhouden, begon hij te wroeten in de bladerhoop.
Een donkergele knol was het resultaat van zijn onderzoek; met grote happen
begon ook Knork te kauwen.
Toen de broers waren uitgegeten keken ze beide in de richting van het
donkere bos waarvan hun greppel het begin vormde.
'Kan moet,' was de opvatting van Ork. Zijn broer was kennelijk niet direkt
overtuigd; hij spuwde krachtig op de grond en wees op een hoop ronde stenen
die door een aarden wal gedeeltelijk aan het oog werd onttrokken. Ook
zijn broer keek nu in de aangegeven richting, en wat hij daar zag beviel
hem kennelijk evenmin. Hij liet zich geruisloos door zijn knieen zakken.
Knork volgde zijn voorbeeld, en even later slopen de twee broers gehurkt
in de richting van het aangegeven object.
Nog nooit was het kleine groene draakje zo geschrokken. Zijn linkeroog
zat dicht, en over zijn oor liep een spoor van drakenbloed. Voor hem stond
een afschuwelijke draak met een zwarte mantel en gele ogen. In zijn rechterklauw
hield hij een zware aanwijsstok waarmee hij het jonge draakje in een van
de neusgaten vasthield.
'Ja, zo gaat dat met brutale jongens,' grijnsde de oude. 'En wat moet
dit domme jonge draakje in het vervolg beter doen - direkt antwoord graag.
Jij daar, Drakenflets.'
Een forse jonge draak met aan iedere voet zeven tenen wist niet hoe gauw
hij moest antwoorden. 'Beter opletten, meester.'
'Niet slecht, Drakenflets - en wat zegt het kleine groene draakje nu hij
deze wijze les heeft mogen ondergaan?'
Een geroezemoes steeg op uit de kluwen jonge draken. 'Duidelijker - ik
hoor niets,' siste de oude schooltiran terwijl zijn gele ogen vervaarlijk
blikkerden.
'Dank U wel, meester Drakenquel,' was uiteindelijk als antwoord te horen.
'Juist - na iedere les die ik in jullie stompzinnige drakenkoppen stamp
is dat wat ik wil horen. Dank U wel, meester Drakenquel. Laten we eens
zien of deze kleine groene domkop dat al heeft begrepen. Naar de klas
jullie, en snel.'
Na een paar minuten hadden Ork en Knork de aarden wal bereikt. Aan de
zonzijde was weinig bijzonders te zien, maar aan de schaduwkant belemmerden
mossige groeisels het zicht op de ondergrond. Zonder op of om te kijken
begon Ork met twee harige vingers de bemoste ondergroei uiteen te trekken.
Zijn broer zocht onderwijl twee stevige takken, die hij zorgvuldig op
de hand woog. Van hun eerdere voorzichtigheid was niets meer te merken;
ze bewogen zich rechtop en met gemak, alsof ze precies wisten wat hen
te doen stond.
Plotseling stootte Ork zijn broer aan.
'Hier org val' - en daarbij wees hij op een klein gaatje in de bemossing.
Knork liet zich niet direct overtuigen, maar dat was dan ook niet zijn
aard.
In de Grote Drakenklas van meester Drakenquel stonden veertien zware banken
te wachten op de nieuwe leerlingen. Vechtend en duwend baanden de jonge
draken zich naar binnen, en al snel bleek waarom. In een paar tellen waren
alle banken bezet, en het Kleine Groene Draakje slaagde er niet in een
plaatsje te veroveren. Er waren gewoon niet genoeg banken voor iedereen.
'Als ik het niet dacht - alweer de zelfde. Je bent niet alleen langzaam,
maar ook nog hardleers. Maar daar weten we wel wat op,' snauwde het schoolhoofd.
'Je mag de rest van de dag in de strafhoek blijven staan.'
Het kleine groene draakje bleef besluiteloos wachten; hij had werkelijk
geen enkel idee waar hij de strafhoek kon vinden. Voorzichtig keek hij
achter zich de klas rond, maar hij kon niets ontdekken. Toen hij zich
weer omedraaide zag hij dat Meester Drakenquel vlak voor hem stond.
Ork en Knork zaten doodstil te wachten bij het gaatje in de grond. Ze
hadden ieder een stok in de hand genomen, en van enige afstand leek het
of ze op wacht zaten. Lange tijd deden beide broers niets anders dan doodstil
naar de grond turen, geheel verdiept in hun onderzoekingen. Pas tegen
de middag maakte een van beide voor het eerst een beweging. Ork boog zich
voorover, bracht zijn neusgaten vlak bij de grond, en snoof ingespannen
de gronderige lucht op. Hij knikte, en keek vragend in de richting van
zijn broer. Knork gromde even en legde een harige hand op de plek waaraan
Ork zojuist geroken had. Wat hij daar voelde beviel hem kennelijk niet;
zijn gezicht vergrauwde, en snel trok hij zijn hand weer terug.
'Drakenklep, wijs hem de weg naar de strafhoek. Hij houdt zich van de
domme, maar dat krijg ik er wel uit,' tierde meester Drakenquel. Hij prikte
het kleine groene draakje geniepig in de neusgaten met zijn aanwijsstok.
Een slungelige draak met acht tenen en een doorgeschoten staart, maakte
zich los uit de banken. Hij duwde het kleine groene draakje naar achteren,
en wees hem een gat in de grond. Er stond een laag troebel water, en het
stonk naar dode takken. Zwijgend wees Drakenklep op het bemodderde gat.
'Dit is het - je mot erin blijven staan tot een ander straf heb. Dan wor
je zogezegd verlost.' Met een finke plons ging het kleine groene draakje
kopje onder; alleen door op zijn tenen te staan kon hij het hoofd boven
water houden. Het stonk, hij had het koud, en hij voelde zich ellendig.
Ork en Knork stonden nu samen over het gat in de grond
gebogen; hun harige achterwerken staken omhoog en hun neuzen raakten de
grond. Onder de aarde was een blauwig schijnsel zichtbaar geworden.
'Komt gal' - mompelde Ork, tegen niemand in het bijzonder. Knork reageerde
niet merkbaar, maar dat was wel vaker het geval. Oplettend hielden de
broers het blauwe schijnsel in het oog; kort daarop begon een dunne rooksliert
zich een weg naar boven te banen. Ork knikte tevreden, en snoof een paar
keer behaaglijk. Knork draaide zich om en greep zijn zware tak stevig
in de hand. Voorzichtig bracht hij zijn wapen bij de rookpluim, ging zitten,
en hervatte in grote concentratie zijn wachterswerk.
Enige ogenblikken later zat ook Ork weer op wacht, doodstil en gewapend
met zijn zware stok. Van onder de aarde klonk nu een zwak geluid.
Het kleine groene draakje rilde van kou en uitputting;
hij had zich zijn eerste schooldag heel anders voorgesteld. Af en toe
moest hij hoesten, maar de angst voor meester Drakenquel hield hem tegen.
Zijn winden kon hij niet inhouden - dat doen draken nooit, ze ruften de
hele dag door. Winden laten was zijn enige afleiding, en hij maakte er
echte kunstwerken van.
Na enige oefenen was hij in staat, het water hoog op te laten borrelen.
De pittige lucht van verse drakenwinden was een stuk aangenamer dan het
smerige water; in de klas viel het niet op omdat alle draken zonder enige
schroom hun gas lieten ontsnappen.
Tegen de kou en de nattigheid hielp het niets. Maar ook daaraan viel natuurlijk
iets te doen - je bent een draak of je bent het niet. Het kleine groene
draakje deed zijn ogen dicht en haalde diep adem. Een klein waakvlammetje
gloeide op in zijn neusgaten.
Behaaglijk snoven nu Ork en Knork tesamen de pittige lucht in die in steeds
grotere wolken uit het gaatje in de grond ontsnapte. 'Kort wind nu' -
was de opvatting van Ork. Dit keer was zijn broer het kennelijk geheel
met hem eens, want hij begon zachtjes heen en weer te schommelen. De zon
stond hoog aan de hemel, en had bijna het punt bereikt waarop hij direkt
het gat in de grond zou gaan beschijnen. Langzaam hesen de broers zich
uit hun gebukte houding omhoog; hun ogen bleven strak op de grond gericht,
en de scherpe punt van hun stok bewoog geen centimeter. Zo bleven ze roerloos
staan, tot het moment dat ze de zon recht boven zich hadden. Toen haalden
ze beide hun stok omhoog, zo hoog mogelijk. Ze keken elkaar aan en knikten.
Met een donderende klap kwam de drakenvlam tot ontploffing. Een vlam van
een jonge draak heeft nog geen echt verwoestende kracht, maar het windgas
dat het kleine groene draakje zo zorgvuldig had laten ontsnappen maakte
de explosie tot een echt drakenfeest. De vlam baande zich een weg tussen
de leerlingen door, en trof meester Drakenquel vol aan de achterzijde.
Een grote bruine schroeiplek gaf aan waar hij was geraakt. In een flits
draaide het schoolhoofd zich om, pakte zijn stok en rende brandend op
het kleine groene draakje af. Zijn drakentronie was vertrokken van woede,
zijn gele ogen blikkerden gevaarlijk, en zijn kracht was onbeschrijfelijk.
Vergeefs probeerde het kleine groene draakje te ontsnappen - het modderige
water hield hem vast. Hij zag de zware draak op zich afkomen, en hij wist
dat hij dit niet zou overleven. Meester Drakenquel hield zijn stok met
beide handen vast; hij haalde uit voor een alles vernietigende slag.
Toen stortte plotseling het dak in; alle draken draaiden zich om, verbijsterd
en verschrikt. Alle draken - behalve meester Drakenquel. Want meester
Drakenquel was spoorloos verdwenen.
Behoedzaam haalden Ork en Knork hun stok uit het gat in de grond; ze bestudeerden
zorgvuldig de zwartgebladerde punt, en snoven behaaglijk de dampen in
die de stok verspreidde.
'Korrie maat dubbel' - het was voor Ork een lange zin, en zijn broer had
er weinig aan toe te voegen. Hij knikte afwezig, maar zocht onderwijl
met ijverige oogjes de bodem af. Na enige tijd zag hij wat hij kennelijk
zocht; hij boog zich voorover, en met een snelle beweging greep hij een
kleine salamander achter de kop. Het was een merkwaardig diertje, met
felle gele ogen en een woedende gezichtsuitdrukking. Het monstertje probeerde
Knork in de hand te bijten, maar daarvoor kreeg het nauwelijks de kans.
Met een geoefende beweging greep Knork de salamander bij de staart, draaide
hem een paar maal rond, en slingerde hem zo ver mogelijk weg. Hierop knikte
hij tevreden, ging zitten, en begon op zijn gemak het gat in de grond
uit te diepen. Ork bleef niet achter, en in korte tijd hadden de broers
een flinke kuil gegraven. Ze keken nog even om zich heen, en lieten zich
toen naar beneden zakken.
Verbijsterd keek het kleine groene draakje om zich heen. Niet alleen was
meester Drakenquel verdwenen, maar het hele schoolgebouw trilde vervaarlijk
op zijn grondvesten. Nog even bleven de muren staan, maar toen stortte
het gebouwtje in met een daverende klap. Twee zware geblakerde takken
sloegen het schoolbord aan flarden, verpulverden de banken en sloegen
de muren aan splinters. Van de draken was niets meer te zien.
Het kleine groene draakje keek stom van verbazing om zich heen; een kale
vlakte strekte zich uit zover het oog reikte. Het landschap kwam hem niet
bekend voor - de weg naar huis bij voorbeeld was nergens te vinden, en
de struiken waaronder hij die morgen nog had gelegen waren er evenmin.
Levende wezens waren er al helemaal niet - geen vogels, geen muizen, geen
eekhoorns, niets.
Met tevreden gezichten hadden Ork en Knork zich neergelaten in de restanten
van de drakenschool. Af en toe snoof Ork eens diep, dan weer boerde Knork
zachtjes voor zich heen. Ze wachtten op niets en waren kennelijk tevreden
met hun lot. Geleidelijk vervaagden hun trekken, tot er niet meer van
ze te zien was dan hun oningevulde omtrek - een soort nabeeld dat nog
wat ronddartelde om dan geheel te verdwijnen.
Het kleine groene draakje meende uit zijn ooghoek een beweging te zien.
Twee kleine diertjes leken zich in het zand te bewegen, precies op de
plaats waar kort tevoren de drakenschool had gestaan. Het draakje boog
zich voorover om ze beter te bekijken, maar daarvan waren de diertjes
kennelijk niet gediend. Ze vervaagden en losten op in het niets; alleen
een verbrande tak gaf aan waar ze kort tevoren nog gestaan hadden.
Nog eenmaal keek het kleine groene draakje rond, in de hoop iets van herkenning
aan te treffen. Maar er was niets, helemaal niets. Toen legde hij de voorpoten
op de rug, trok de schouders naar voren, en zette koers in de richting
van de avondzon.
|
|