Kenitra


De oude dag komt met gebreken - dat is natuurlijk een waarheid als een koe. En nergens wordt die koe zo pijnlijk, zo bedroevend en zo hopeloos ten toon gespreid als aan de Portugese Algarve. Het is een geheel door Engelse middle class bejaarden overwoekerde landsstreek waar collectief de laatste levensjaren worden gesleten met de moed der wanhoop. Britain away from home - het is een tandeloze vertoning, in alle opzichten. Ach lezer, laat u zich toch geen zand in de ogen strooien met Zwitserpraatjes over die goudomrande golfvelden en smaakvolle residences achter ruisende palmgaanderijen in de ondergaande zon. Een lijkenhuis is het, en anders niet. De Portugezen zelf zijn al evenmin onbezonnen lachebekjes - maar de kunst van het oud worden in rust en ere verstaan ze in ieder geval wel. Een land van gesoigneerde oude heren in al even gesoigneerde oude parken - traag en melancholiek misschien, maar in ieder geval smaakvol, en van een soms ontroerende broosheid.
Aan de Britse oudere jongeren daarentegen is niets smaakvols te ontdekken, en aan de voor hen in het leven geroepen infrastructuur al helemaal niet. Het duurt even voor je de pijnlijke realiteit van de grotendeels leegstaande appartementencomplexen, de baked beans op de ontbijttafel en de breedbeeld vertoningen van Chelsey tegen Arsenal werkelijk kunt lezen. Het duurt even want ook voor ons schijnt de zon lekker, waait de wind aangenaam en is de steiger opgeruimd en bewaakt. Maar als de waarheid van dit decor eenmaal is doorgedrongen dan is er maar een weg - en zo zijn we na precies een enkel dagje Lagos de Algarve ontvlucht. Dan maar de lucht in, weerbericht of geen weerbericht, haperende autopilot of niet - wegwezen voor je zelf ook nog wordt besmet door dit Potemkin van de gemakseconomie.
Niet meer dan veertig uurtjes varen - en opeens zitten we midden in de Ramadan, vastgeketend aan een oude baggerschuit die ons als buffer dient. We zijn omringd door een onwaarschijnlijke combinatie van ooievaars, Afrikaanse visserlui in bonte pieremagochels, vuurtjes en ratten. Zelfs de zee is ver weg, want de Oued Sebu heeft ons tien mijl landinwaarts gedragen, naar een verlaten kade binnen een havencomplex waar wij nu al vier dagen lang het enige schip zijn. Ach Kenitra, wat is er van je geworden - alle zes je hijskranen, je loopkatten, je douanegebouwen, valrepen en straatjongens - niemand die ervan profiteert behalve wij. Als enige klanten van deze gestorven haven worden wij op handen gedragen, en juist dat wekt deemoed op, deemoed en berusting. De rolfok is aan flarden, de bril van de schipper ligt in de plomp en het geld is eindelijk op. Met de twee bewakers van de baggerschuit wisselen wij knollen en rapen uit tegen chocola en koffie, zolang de voorraad strekt. Het is er vies en beangstigend maar tegelijkertijd ook prachtig echt. Een bij vlagen weldadige eenzaamheid heeft zich van ons meester gemaakt. Dat gaat nog wel even duren.